“Is uw vraag beantwoord?”

Vorige week hebben we een nieuwe printer gekocht. Zo’n draadloze, erg handig. Je hoeft de luie stoel niet meer uit om te kunnen printen. Het duurde alleen wel even voordat ik de installatie goed geregeld had op de verschillende laptops bij ons thuis. Een Mac en een Netbook zonder discdrive vragen om verschillende benaderingen, wat in de computerwereld nog wel eens ingewikkeld ligt. Toch  is het zonder al te veel moeite helemaal goed gekomen, dankzij een goede ‘digitale helpdesk’.

Deze helpdesk werkt volgens een in de computerwereld vaak gehanteerd principe, via vraag en antwoord. Simpel en vaak doeltreffend. Ik stel een vraag, en wordt stap voor stap richting de mogelijke oplossingen geloodst.  Na elke oplossing krijg ik de vraag of dit de oplossing is voor mijn probleem. Zo niet, dan gaan we naar de volgende mogelijke oplossing, zo ja: dan heb ik het gewenste antwoord. Mocht ik geen antwoord vinden op mijn vraag dan kan ik terecht bij een helpdesk (digitaal via mail of forum, anders telefonisch) die me verder op weg zullen helpen. Een toegankelijk, vraaggericht principe. Een principe waar de jeugdzorg nog veel van kan leren.

Want wat is het landschap van hulpverlening vaak ondoorzichtig en gedifferentieerd! Ik durf te stellen dat vrijwel niemand in een bepaalde regio het complete overzicht heeft over het hulpaanbod. Het systeem is daarbij ook voornamelijk ingericht op een manier waarop het aanbod centraal staat – en dus niet de vraag. Ik denk dat dit (veel) beter ingericht kan worden. De (digitale) mogelijkheden zijn er al lang, maar worden nog te weinig benut. Uitzonderingen daar gelaten.

Ik denk dan aan een digitale sociale kaart, voor iedereen toegankelijk. Vraaggericht. Ik kan me voorstellen dat als dit goed opgezet wordt, mensen met een hulpvraag laagdrempelig geholpen kunnen worden. Het hulpaanbod wordt daarbij een stuk transparanter, helemaal als er ook zicht komt op de wachttijd, en op wat nodig is om in aanmerking te komen voor een specifieke vorm van hulp. Gekoppeld aan een forum en telefoonnummer. Daarbij wordt ook inzichtelijk wat er mist in het hulpaanbod – de vraag zal meer centraal komen te staan.  In mijn opdrachten bij het AMK merk ik dat hier nog veel winst te boeken is. Er wordt een melding gedaan, er wordt een onderzoek ingesteld, en daarna wordt indien nodig gesproken over het organiseren van hulpverlening. Waarom kan dit niet nog meer aan de voorkant geregeld worden?

“Is uw vraag beantwoord?” Mijn vraag was snel beantwoord en ik kan met een druk op de knop printen. Werkt als een zonnetje. Waarom kan een dergelijk systeem niet opgezet worden voor mijn opvoedvragen, of die van mijn buurvrouw? Ik denk dat zo’n transparant en laagdrempelig systeem preventief kan werken, en zich zal richten op de vraag in plaats van het aanbod. Wellicht een mooi uitgangspunt voor gemeenten in het kader van de transitie van de jeugdzorg!  

JaapJanBoer
JaapJanBoer@bmc.nl

Oproep

Soms vraag ik me wel eens af wat er leidend is in de jeugdzorg: de vraag van een jongere, of het aanbod van zorgaanbieders. En ik krijg dan de indruk dat te vaak het tweede het geval is. We denken daarbij in kaders, proberen problemen in hokjes te plaatsen, en trekken de oplossing uit de kast die we altijd voor dat probleem gebruiken. Want regelmatig blijkt dat toch echt tot verbetering te leiden.   

Voor het aanbieden of ontwikkelen van nieuwe vormen van hulpverlening lijkt soms minder tijd gemaakt te worden. We blijven doen wat we altijd al deden. En als dat niet het gewenste effect heeft, komt dat door anderen redenen – bijvoorbeeld de motivatie van het gezin zelf.   

Te vaak is dat een gemiste kans. Uitgaan van het (regionale) zorgaanbod is proberen gezinssystemen in een keurslijf te gieten. Terwijl de ervaring leert dat geen twee gezinnen of problemen identiek zijn.

Inmiddels zit ik meerdere jaren bij verschillende AMK’s in den lande. En naast veel zinnige inzichten, werkt die ervaring ook wel eens tegen me. Ik druk soms te snel stempels op een probleem. Gechargeerd beschreven gebeurt het volgende:

(V)echtscheidingzaak? Mediation, Omgangshuis, en als dat niet werkt: naar de Raad. 

Financiële en/of huisvestingsproblemen? Naar het maatschappelijk werk.

Hulpverlening komt niet van de grond? Naar de Raad voor de Kinderbescherming.

Problemen in de omgang met elkaar? Systeemtherapie.

Graag zou ik meer tijd en ruimte willen hebben – of nemen – om eens te zoeken naar andere oplossingen. Oplossingen die het gezin zelf aandraagt. Oplossingen die niet uitgaan van het bestaande aanbod, maar van de eigen vraag van de cliënt. En die uitgaan van het bieden van maatwerk.

Ik weet zeker dat hier talrijke voorbeelden van zijn. Helaas is mijn kennis of netwerk te klein om deze te zien of te horen. Om die reden het verzoek aan de lezer:

Wilt u mij voorbeelden, verhalen, opsturen waarin op creatieve wijze gezocht werd naar oplossingen buiten de gebaande paden?

Het zou mijn horizon verruimen – waardoor ik jeugdigen beter kan ondersteunen in hun hulpvragen.

JaapJan Boer
JaapJanBoer@bmc.nl

Goed Nieuws

Het is Pasen! En dat lijkt me een mooi moment om goed nieuws te verkondigen en het kort te houden. Dus zo maar een greep uit al het goede nieuws van de afgelopen weken. Ten eerste natuurlijk het weer. Prima zo. Zelfs moeilijke gesprekken met ouders over mogelijke kindermishandeling verlopen een stuk soepeler. Dat is prettig – het gedeelde belang komt dan toch meer centraal te staan.

Dan was er goed nieuws uit Baarn, waar ik samen met een college een workshop over de meldcode kindermishandeling mocht verzorgen voor de collega’s uit het (speciaal) onderwijs. Uit de gesprekken bleek het gedeelde gevoel van urgentie. Ik was onder de indruk van twee jonge dames, die een uitstekende meldcode hadden ontwikkeld op hun school. Waarbij ouders nadrukkelijk de ruimte werd gegeven om gezamenlijk naar een oplossing te zoeken, alvorens eventueel te melden bij Bureau Jeugdzorg.

Privé was er ook goed nieuws, afgelopen donderdag. Een echo liet een vlot groeiende en drukke tweeling zien die zich gezond lijken te ontwikkelen. Ze leken zelfs te zwaaien op de echo, begin juli hopen we te weten hoe ze er uit zullen zien.

Ook goed nieuws uit Overijssel, waar provincie en gemeenten elkaar vinden in de visie op jeugdzorg. Kijken naar mogelijkheden, eigen kracht, daadwerkelijk samen werken en werken aan een dialooggericht zorgaanbod.

Al met al positieve ontwikkelingen, die deze paasdagen extra mooi maken!

JaapJan Boer

JaapJanBoer@bmc.nl

Doorzetten en ondersteunen

Barcelona, Olympische Spelen, 1992. De halve finale van de 400 meter hardlopen bij de mannen. Eén van de favorieten is de Britse atleet Derek Redmon. Volle tribunes. Hoge verwachtingen. Dit zijn de momenten waar je het als sporter voor doet, hier heb je jarenlang voor getraind. Het schot klinkt, de atleten zijn weg. Derek loopt in baan 4, het publiek probeert atleten naar de finish te schreeuwen. Na 150 meter voltrekt zich een drama op baan 4, een schreeuw klinkt. Derek grijpt naar zijn hamstring, valt stil. Zakt door zijn knieën. Een verschrikkelijke pijn, de wereld lijkt stil te staan. Midden op de baan zit Derek, het hoofd gebogen. Zijn droom vervlogen. Een doodse stilte.

Na een paar minuten staat Derek Redmond op. Hij probeert te lopen, maar zijn hamstring weigert. Hij weigert op te geven. Zijn doel is de finish halen. Rennen en lopen lukt niet – dan maar hinkelend. Het publiek gaat massaal achter hem staan. Opeens springt er iemand van de tribune, die naar Derek toe rent. Het is zijn vader. Derek legt zijn arm om zijn vader, samen op weg naar de finish. Van alle kanten komen mannen aangelopen met gele jassen en walkie-talkies. Dit is niet volgens protocol. Anderen zijn niet geoorloofd om op de baan te lopen. En de planning loopt uit op deze manier. Boos wuift de vader deze mannen weg. Ze druipen af, gedesoriënteerd. Ze moesten toch het protocol volgen?

Derek heeft de finish gehaald, met dank aan zijn vader. Een atleet die een doel heeft, en dat wil behalen. Met hulp van zijn vader haalt hij dit, toen hij het zelf even niet meer kon.

Haarlem, AMK, 2011. Een meisje, aan de vooravond van haar puberteit. Depressief. Een moeder die haar niet begrijpt, en niets om haar lijkt te geven. Veel verbaal en soms fysiek geweld. Ze vindt het verschrikkelijk om naar school te gaan, daar wordt ze gepest. Dit meisje staat er alleen voor. Het AMK probeert ondersteuning in te zetten. De Raad voor de Kinderbescherming heeft te weinig signalen dat de veiligheid ernstig bedreigd wordt om snel in te kunnen grijpen. Voor vrijwillige hulpverlening is weinig motivatie.

Diep in mijn hart denk ik dat dit meisje eerst behoefte heeft aan een maatje. Iemand die naar haar luistert, die leuke dingen met haar doet. En k ken iemand, in haar buurt, die de gave heeft om op een positieve manier met beschadigde pubermeisjes om te gaan. Alleen: zij is geen hulpverlener. En toch durf ik deze twee mensen niet bij elkaar te brengen. Ik volg het protocol, doe wat ik moet doen. Maar ergens denk ik: ik zou mee willen zijn zoals de vader van Derek Redmon. De baan opstappen, je hart volgen en spontaan doen wat je nodig acht, om zo dit meisje te helpen een doel te bereiken. En toch heb ik niet altijd het lef om mijn hart hierin te volgen.

Opruimen

Zo tegen het eind van het jaar komt de grote schoonmaak en opruimronde er weer aan. Dus pak ik die grote papieren stapel er maar weer eens bij, en probeer te scheiden wat weg kan en wat moet blijven. Geen leuke klus, ook geen makkelijke klus. Maar toen ik wat dieper inging op de inhoud van al het materiaal waar ik doorheen ging (folders, aantekeningen, mappen, protocollen, schriften) raakte ik geboeid. Geboeid, door wat je allemaal meemaakt in een jaar. En: wie je allemaal ontmoet. Inspirerende mensen. Gebroken mensen. Egoïstische mensen. Bevlogen en bewogen mensen. Zieke mensen. Wijze mensen.

Zo bladerde ik mijn aantekenschriften door, waarin ik de gespreksverslagen met ouders en jongeren die ik sprak in het kader van een AMK onderzoek op heb geschreven. En net als vorig jaar komt dan de twijfel. Heb ik het wel goed aangepakt, heb ik het goede advies gegeven? Ook komt de hoop: zouden deze mensen inmiddels hun leven wat meer op de rit hebben gekregen? Hoe zouden al die jonge mensen het maken? Ik probeer me net als volgend jaar voor te stellen hoe deze mensen 2010 afsluiten – en 2011 beginnen.

Het verhaal wat mij het meest bij zal blijven, is het verhaal van Fransje (6). Fransje is verstandelijk beperkt, kan slecht horen en zien. Zijn moeder is alles voor hem, en Fransje is alles voor zijn moeder. Maar het kost haar verschrikkelijk veel moeite om Fransje te geven wat hij nodig heeft. Een oudere broer van Fransje is al uit huis geplaatst – permanent. Deze moeder doet er alles aan om voor Fransje te blijven zorgen, en in hele kleine stapjes, met veel begeleiding lukt dat redelijk. Maar het is zwak, en het zal altijd de vraag blijven of het voldoende is voor Fransje.  Ik gun Fransje zijn moeder, en andersom. Maar soms is je uiterste best doen als moeder nog niet voldoende om Fransje te geven wat hij nodig heeft. Toch hoop ik dat zij samen de kerst kunnen vieren. Maar 2011 zal opnieuw een lastig jaar worden voor dit gezin.

Een andere ervaring gaat over gescheiden ouders. Die enorm diep zijn weggezakt in een moeras van onderling wantrouwen. Er leek geen uitweg, en de kinderen werden meegezogen in dit moeras. Er leek geen andere oplossing dan een OTS, maar we wilden de ouders een kans geven om samen met de kinderen hulpverlening te aanvaarden. Een soort systeemtherapie. En deze therapeute heeft een ingang gevonden bij beide ouders, waardoor er weer gedacht wordt aan het belang van de kinderen. Buitengewoon indrukwekkend. Ik heb ervan overtuigd dat 2011 voor dit gezin beter gaat worden dan 2010.

En dat wens ik u allen toe: een fantastisch 2011. Waarin we oog hebben voor elkaar, en een speciaal oogje voor de kwetsbaren in onze maatschappij. Want iedereen ook in 2011 willen we dat iedereen meetelt. Doet u mee?

JZ/2025 (deel 1?)

In vroeger tijden werden nieuwe steden gebouwd op oude steden. Het computerprogramma Windows werkte lange tijd volgens hetzelfde principe. Elke nieuwe versie werd gebouwd op het fundament van de vorige versie. Het gevolg was dat bepaalde Windows onderdelen te kampen hadden met onverwachte fouten, die hun oorsprong hadden in een (veel) oudere versie. Dit principe leidt ook in onze hedendaagse beleidssystemen tot onverwachte fouten – of verkeerde inschattingen. Kijk bijvoorbeeld naar ons wegenstelsel. We bouwen voortdurend voort op het bestaande, met alle knelpunten van dien. Vervolgens pakken we de knelpunten aan, extra rijstrookje hier, spitsstrookje daar. Het gevolg is tijdelijke verlichting van de filedruk, totdat ergens anders op dezelfde weg een nieuw probleem ontstaan. Hierin mis ik wel eens een visie die verder gaat dan uitgaan van het bestaande, maar rekening houdt met de toekomst.

Ik vraag me wel eens af hoe ik de beleidssystemen rond de jeugdzorg in zou richten, als ik helemaal opnieuw mocht beginnen. Wellicht een gevaarlijke vraag, aan de vooravond van de transitie van grote delen van de jeugdzorg van provincie naar gemeenten. Toch een poging voor “Jeugdzorg 2025”, waarbij reacties en input natuurlijk van harte welkom zijn. Ik probeer hier een korte, ongetwijfeld gebrekkige, schets neer te zetten op basis van mijn ervaringen met cliënten in de jeugdzorg.

Laten we beginnen op het hoogste niveau. De minister. Momenteel valt de jeugdzorg onder drie departementen. Zonde. Waarom niet één minister van (of: voor) Jeugd. Een structurele post in elk kabinet, die alle belangen behartigd van de jeugd, laten we zeggen van 0-18 jaar. Geen programmaministerie, maar een minister met een eigen budget. Net zoals elk kabinet een minister van Verkeer heeft, zal elk kabinet vanaf 2025 een minister van Jeugd hebben.

In 2025 wordt sterk ingezet op vroegtijdige signalering, door middel van een goede samenwerking met het onderwijs, sportscholen, ziekenhuizen en huisartsen. Deze professies ontmoeten elkaar structureel in het Centrum voor Jeugd en Gezin. Deze Centra zijn inmiddels uitgebouwd tot centrale ontmoetingspunten waarin alle zaken voor/door Jeugd zijn geregeld. In elk Centrum zijn ook faciliteiten voor jongeren, talent en/of competentie ontwikkeling is mogelijk. En natuurlijk is er een loket waarin jongeren worden begeleid naar werk. De Centra voor Jeugd en Gezin zijn de ogen en oren voor de minister van Jeugd.

De financiering dan, die zal veel eenvoudiger zijn. Er zal sprake zijn van één budget per cliënt. Dit budget hangt af van de problematiek. Bij aanvang van zorg krijgt elke cliënt een vaste zorgcoördinator toegewezen die het budget samen met de cliënt beheert, vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin. Dit kunnen ook vrijwilligers zijn.  

Helaas kan een column maar bestaan uit maximaal 450 woorden, maar ik merk dat ik op deze manier nog veel meer ideeën heb over hoe de Jeugdzorg er in 2025 uit zou kunnen zien. En het mooie is: ik zal niet de enige zijn, en ik zal ook niet vernieuwend zijn. Maar als we de volgorde nou eens omdraaien in onze visie: we kijken eerst naar wat nodig is, en dan kijken we pas naar hoe het bestaande hierbij aansluit.

Creëren

In de afgelopen weken heb ik verschillende gesprekken gehad over mijn ontwikkeling en functionering. Ik kan me daar altijd redelijk druk om maken, het is toch altijd weer spannend om beoordeeld te worden. De opluchting is er dan ook als mensen die ik als collega en professional hoog heb zitten het in je zien zitten. Zelf heb ik ook het gevoel dat ik binnen BMC Jeugd mijn plek heb gevonden en me door kan ontwikkelen. Dat was een aantal jaar geleden toch heel anders.

Zo werd ik op de basisschool regelmatig gepest. Reden: mijn vader was dominee. En als domineeszoon ben je soms een makkelijk slachtoffer. Dat pesten heeft best een grote impact op mij heeft gehad. Het heeft mij het gevoel gegeven dat ik minder was dan mijn omgeving. Ik plaatste mezelf altijd in de rol van underdog, en vond anderen altijd beter. Tot op de dag van vandaag kan ik daar last van hebben, het gevoel dat mensen een negatieve mening over je hebben. Maar dit enigszins ‘belaste verleden’ staat me de afgelopen maanden veel minder in de weg dan daarvoor.

 Ik heb daarin veel te danken aan mijn collega’s bij BMC. Zij creëren voor mij een omgeving waarin ik mijn onzekerheid opzij kan zetten en mezelf kan ontwikkelen. Die omgeving bestaat uit het uitspreken van vertrouwen, het geven van verantwoordelijkheden, het zien wat ik aan het doen ben en daar concreet op reageren, en het benoemen van mijn kwaliteiten en aandachtspunten. Voor mij is dit een vruchtbare omgeving waarin ik tot ontwikkeling kom.

In vrijwel alle opdrachten die ik doe binnen de jeugdzorg speelt het creëren van de juiste omstandigheden om tot ontwikkeling te komen een grote rol. Momenteel ben ik projectleider bij een wachtlijst team AMK in Noord-Holland. Binnen het team gaat het om het creëren van de goede omstandigheden dat jonge, getalenteerde mensen het soms ingewikkelde werk van AMK-onderzoeker goed kunnen doen. Dat vertaalt zich ook door naar de gesprekken met ouders en jongeren die de onderzoekers hebben. Want in die gesprekken wil je iets bereiken, een accent verleggen, mensen in beweging zetten om de situatie te verbeteren.

Daarnaast ben ik samen met collega’s bezig met een pilot waarin jongeren hun eigen digitale dossier krijgen (zie http://www.bmcjeugdzorg.nl/index.php/mijnverhaal/). Hierin krijgen jongeren een stukje regie over hun eigen leven, waarin ze worden aangesproken op hun talenten. Dit past binnen het oude onderwijsprincipe Competentie, Autonomie, Relatie (CAR). Ook hierin gaat het om een omgeving waarin jongeren zich kunnen ontwikkelen.

Een derde opdracht is bij een Zeeuwse jeugdzorglocatie, waar een gesloten instelling, een open instelling en een onderwijsvoorziening samen op een terrein zitten. En zij willen de samenwerking versterken, voornamelijk in het belang van de jongeren. Een mooie uitdaging: het creëren van een opvoedingsklimaat waarin de jongeren kunnen werken aan hun problematiek.

Al met al raakt dit wellicht de kern van goede jeugdzorg: het creëren van omstandigheden waarbinnen jongeren kunnen werken aan (gedrags-)problemen, en een omgeving gecreëerd kan worden waarbinnen ze zich kunnen ontwikkelen. Het liefst binnen een (pleeg)gezin, maar ook op leefgroepen, kamertrainingscentra, enz. En het is bij al mij opdrachten indrukwekkend om te zien hoeveel gepassioneerde mensen daar hard aan werken, en hoeveel kwetsbare jongeren daarvan profiteren.

JaapJan Boer
JaapJanBoer@bmc.nl

De participerende verzorgingsstaat

Afgelopen dinsdag had ik een cursus over netwerkallianties. Tijdens deze cursus werd er stevig gediscussieerd over de toekomst van onze beleidssystemen. Duidelijk is dat de verzorgingsstaat niet meer houdbaar is. Moedertje staat kan niet meer voor iedereen zorgen, er moet stevig bezuinigd worden. Nederland zal moeten transformeren richting een ‘civil society’, om niet failliet te gaan. Een burgermaatschappij dus, waarin het gaat om vrijwillige samenwerkingsverbanden, vergroting van maatschappelijk zelfbestuur en versterking van de gemeenschapszin. En dat is goed nieuws.

Termen als ‘eigen kracht denken’, ‘iedereen doet en telt mee’ en ‘goed is goed genoeg (Delta)’ passen uitstekend in de ‘civil society’. De rol van de overheid zal veranderen. Niet iedereen kan meer bij het handje worden genomen, maar de overheid zal moeten aansluiten bij de kracht in de maatschappij. En dus zal de overheid ook moeten durven loslaten. Anderzijds kunnen de burgers niet meer blindelings vertrouwen op de overheid. Die kan niet meer alles oplossen en regelen. Mensen zullen meer aangewezen zijn op elkaar. En dat vind ik dus het goede nieuws.

Afgelopen week zag ik een voorbeeld van hoe een participatiemaatschappij zou kunnen werken. Ik sprak een jongen, Adam, min of meer gevlucht uit het buitenland. Nog geen 16 jaar. Zijn moeder kon daar niet meer voor hem zorgen. Na 13 pleeggezinnen, verwaarlozing, en veel geweld besloot Adam het maar te proberen bij zijn vader, die in Nederland woont. Dat bleek een grote teleurstelling. Zijn vader liet hem vaak in de steek. Gas, water en licht werden tijdelijk afgesloten. School was geen optie, omdat deze jongen de taal niet machtig is en geen geld had voor schoolboeken. Hij vertelde zijn verhaal aan een sportleraar. En deze sportleraar nam Adam in huis, nu al ruim twee maanden (zonder enige vergoeding!). Adam is gelukkig daar. Helaas is de belasting voor dit gezin nu te groot geworden. Maar wat zou het mooi zijn als Adam gewoon opgevangen kon worden in een normaal gezin. Het liefst zou ik zelf uit mijn eigen netwerk zo’n plek voor hem vinden, in overleg met de opvangouders. Geen residentiële instelling, zonder moeilijke procedures. Zo zou een ‘civil society’ kunnen werken.

Wat mij betreft gaan we toe naar een soort van “participerende verzorgingsstaat”. Waarin de overheid een kleine rol speelt. Niet door protocollen, dichtgetimmerde wetgeving of geldprikkels, maar door uit te dagen, samen te brengen, los te laten. En dat is spannend: want wie geef je de schuld als er iets misgaat? En toch: ik kijk er naar uit om in zo’n maatschappij te wonen, te werken en te leven. En ik heb het vermoeden dat jongens als Adam in zo’n samenleving wel eens een stuk beter tot hun recht kunnen gaan komen.

JaapJan Boer

JaapJanBoer@bmc.nl

Bernard weer thuis

Van onze redacteur.  Amsterdam – Na een periode van negen maanden is Bernard (6) weer thuis. September 2009 is Bernard uit huis geplaatst door de Raad voor de Kinderbescherming, in samenwerking met het AMK. Vanwege de grote zorgen die er waren sprak de kinderrechter een zogenaamde Voorlopige Ondertoezichtstelling (VOTS) uit met een Machtiging Uithuisplaatsing (MUHP). Tot woede en verdriet van de moeder van Bernard, mevrouw Van Wal (49).
Zij was dan ook blij toen in juli van dit jaar bleek dat Bernard binnen een paar weken weer thuis zou komen wonen. “Het afgelopen jaar heb ik heel hard gewerkt aan mijn problemen. Vorig jaar zat ik erg in de knoop met mezelf. Ik was erg in de war, mijn huwelijk liep slecht, en had geldproblemen. Nu heb ik meer rust gevonden, samen met mijn man.” Hoe heeft moeder de uithuisplaatsing dan beleefd? Mevrouw Van Wal vertelt dat ze “erg boos en verdrietig was. Ze pakken toch je kind af. Ik voelde me vernederd en boos. Ik heb altijd alles over gehad voor mijn kind en snapte niet waarom het nodig was.”
Nu, bijna een jaar later, heeft ze meer begrip voor de beslissing van Jeugdzorg. “Ik zie nu in dat het echt niet goed ging, en dat ik eigenlijk niet in staat was om goed voor Bernard te zorgen, al was hij alles voor me. Mijn man was al bij me weg doordat hij niet meer met me om kon gaan. Ik had last van psychoses en was soms depressief, maar zag dat zelf niet als een probleem. Om rustig te blijven greep ik vaak naar de fles.” De uithuisplaatsing was erg  ingrijpend. Op een gegeven moment kwam de politie er ook bij om mevrouw Van Dijk tot bedaren te brengen. Er was ook een psycholoog. “Achteraf was ik daar heel blij mee. Toen ze Bernard meenamen, bleef de psycholoog bij mij. Ze lieten me niet aan mijn lot over.”
Bernard is blij dat hij weer bij zijn ouders kan wonen. In de afgelopen maanden woonde hij in een  crisisopvang en bij een pleeggezin. In het begin zag hij zijn ouders ongeveer een keer in de twee weken, maar dit werd steeds vaker. In de tussentijd accepteerde mevrouw Van Wal  hulp van een psycholoog, ging in relatietherapie en slikt medicatie. “Ik zie de toekomst weer positief tegemoet, al vind ik het best spannend dat Bernard weer thuis is. We zijn toch wat onzekerder geworden over de opvoeding. Gelukkig hebben we iemand in huis die ons adviseert. Dat is erg prettig”
Hoe kijkt mevrouw Van Wal nu naar Jeugdzorg? “Vorig jaar was ik heel boos op deze instantie. Nu zie ik dat anders. Zij hebben gehandeld in het belang van Bernard, toen ik dat even niet meer kon. Ik ben blij dat deze mensen er zijn.” Bernard zit ondertussen aan de tafel te tekenen. Hij oogt gelukkig en ontspannen. Het zal nooit duidelijk worden hoe dit was geweest als Jeugdzorg niet had ingegrepen. Maar in dit gezin lijkt de rust weer teruggekeerd.

Lessen uit het buitenland

Deel 1 – “Expect the unexpected”

De afgelopen maand heb ik een mooie reis gemaakt door Venezuela en Colombia. Schitterende landen, in historie dicht verweven met elkaar, maar tegenwoordig groeien deze landen in veel opzichten steeds verder uit elkaar. Tijdens de reis heb ik veel gezien en meegemaakt. En achter deze vooral mooie ervaringen schuilen lessen waar we in Nederland nog van kunnen leren. Ik zal proberen om die lessen in een serie columns te verwoorden.

Eén van de eerste dingen die opvalt, eenmaal geland in Zuid-Amerika, is het verkeer. Een chaos, zo lijkt het op het eerste gezicht. Wegen, oorspronkelijk bedoeld als tweebaanswegen, worden drie of vierbaans wegen. Men wringt zijn of haar voertuig er gewoon tussen. Sommige van die ‘voertuigen’ verdienen eigenlijk dat predicaat al niet eens meer. Het zijn roestbakken, die nog wel eens een deur missen, terwijl de andere deur niet eens open gaat. Veel auto’s missen ook één of meerdere spiegels. Dat maakt de bestuurders ook niet uit: zo lang de claxon maar werkt. De overheid heeft wel regels opgesteld, maar handhaaft deze nauwelijks. Het verkeer regelt zodoende zichzelf.

Het openbaar vervoer beweegt zich hier rustig tussen door. Er zijn taxi’s in alle soorten en maten. Ooit wel eens afgevraagd wat er met je oude stationwagen is gebeurd, dat afdankertje uit 1986? Die fungeert nu als taxi in Zuid-Amerika. En daarnaast zijn er bussen in alle soorten en maten. Een dienstregeling daarentegen bestaat niet. Is ook niet nodig. Je gaat op straat staan en binnen enkele minuten stap je ergens in.

Dat was dus even wennen, eenmaal terug in Nederland. Ik ging op straat staan, maar de bussen reden door. Op een bepaalde tijd naar een bepaalde halte. En ik merkte dat me dat eigenlijk irriteerde. Want na een onwennig begin raakte ik al snel gewend aan het verkeer en het openbaar vervoer in Zuid Amerika. Opvallend is dat ik eigenlijk geen ongeluk heb zien gebeuren. Een Canadese toerist   verwoordde dit als volgt: “Well… they expect the unexpected.” Oftewel: iedereen verwacht op de weg het onverwachte. Dat betekent dat iedereen alert is – en er niet hard wordt gereden. Ik weet het: ik romantiseer. Ongetwijfeld zal het aantal verkeersslachtoffers een stuk hoger liggen in Zuid Amerika. Maar ik vind het idee om het “onverwachte te verwachten” heel mooi.

In Nederland ben ik dat kwijtgeraakt. Want in dit land hebben we alles geregeld. Is er iets onverwacht? Dat regelen we. Regels, regels, regels. En als we dan een regel afschaffen (hoera!), dan komen er twee voor  terug. En met dat gegeven mag ik weer beginnen aan een opdracht in Noord Brabant om de regeldruk in de jeugdzorg aan te pakken. Tegen de stroom in eigenlijk. Maar voor mij is een les uit Zuid Amerika dat ontregelen ook loslaten is – en ruimte geven aan het zelfoplossend vermogen van mensen. En dat moeten we durven. Ik wil ook in de jeugdzorg het onverwachte verwachten. Niet door professionals vol te stoppen met regels. Maar door professionals ruimte te geven om hun werk te doen. Ik kijk uit naar een Nederlandse jeugdzorg met ruimte voor het zelfoplossend vermogen van mensen.

Page 1 of 212»

Categorieën